h1

Stresskip – vervolg

3 september 2014

Deze stresskip liep gisteren, na het posten van het vorige berichtje, fluks richting bergplaats, om de was nog even uit te halen. In het donker. Na 15 jaar ken je je huis wel in het donker. Ware het niet dat er enkele maanden geleden een glazen schuifdeur is geïnstalleerd tussen gang en keuken. Waar ik knal tegenop liep. Ik was bijna een stresskip zonder neus. O wat deed dat pijn. Spontane bloedneus. De schuifdeur is, op een afdruk van mijn neus na, nog intact. Nog niet echt zen dus. We werken eraan.  

h1

Stresskip

2 september 2014

Pfft. De kop is er af. Amper 2 dagen school en ik ben al doodmoe. Bijna net zo moe als op het einde van vorig schooljaar. De vakantie bracht rust, gewoon door het rustigere tempo. Een uurtje langer kunnen slapen, geen schooltoestanden (nooit gedacht dat ik zo’n weerstand tegen school/scholen zou krijgen – heb ik in mijn eigen jeugdjaren nooit gevoeld), geen sportwedstrijden en trainingen en hobby’s. Geen of nauwelijks vrijwilligerswerk. Geen nieuw werk aangenomen, maar uitgesteld tot september (dat voel ik nu wel). Geen drukte op de weg. Niet haasten om het eten op tijd klaar te hebben omdat x naar de training moet of y uitgehongerd thuis komt. Maar kijk, september begint en voor ik nog maar de tijd had om met mijn ogen te knipperen was het daar al allemaal terug. Schooltoestanden (formulieren invullen waarbij ik de neiging kreeg om in het vakje ‘Adres’  “Weten jullie dat nu nòg niet?” te schrijven), mails met herinneringen (schrijf u in, betaal dit, eerste match dan) en uitnodigingen (we starten het jaar met een BBQ, we nodigen u uit op een info-avond), trainingen, kinderen die veel te vertellen hebben,…
En met verwondering stel ik vast dat ik een stresskip ben geworden. Vreselijk. Ik zit hier gespannen voor de computer, met lijstjes naast me en allerlei strategieën in mijn hoofd. Niets voor mij. Zo wil ik niet zijn, zo wil ik niet leven. Tijd voor actie om hier iets aan te doen. Ik heb al wat ideeën, en wacht maar, voor u het weet, ben ik weer helemaal zen.

h1

Ice Bucket Challenge

28 augustus 2014

Ik ben genomineerd voor de Ice Bucket Challenge.
En nu? Ik zou mezelf niet zijn als ik deze hype niet al weken aan ‘t analyseren zou zijn. Met soms meer vragen dan antwoorden, begrip, maar ook kritiek, enthousiasme en weerstand tot gevolg.
Toen ik de eerste keer zo’n filmpje zag, ergens in augustus, vond ik dat wel grappig. En het goede doel steunen, wie kan daar nu tegen zijn? ALS ligt me hoe dan ook al nauw aan het hart omdat mijn ‘tante’ (eigenlijk een nicht van mijn moeder, die voor mij als een tante was en bij wie ik in mijn kindertijd bijna elk jaar ging logeren – ze woonde aan zee) aan de ziekte overleden is. Ik herinner me dat ik, toen ze ziek werd, pas aan de universiteit was beginnen te studeren en onmiddellijk naar de bib ben gerend om op te zoeken wat ALS precies was. Ik vraag me af of al die mensen die intussen een Ice Bucket over hun hoofd hebben laten uitkieperen nu weten wat ALS is. Hebben ze het opgezocht? Er iets over gelezen? Er zich over laten informeren, op welke manier dan ook? Of wilden ze gewoon meedoen met de laatste hype?
Naarmate ik meer filmpjes zag en hier en daar iets over de uitdaging las, begon ik me af te vragen wat nu precies de uitdaging was. Was het niet: òf een emmer koud water over je hoofd, òf 100 dollar (of euro) aan de ALS-liga doneren? Iedereen kiest blijkbaar voor de emmer, wordt er dan nog wel gedoneerd? Ja, zo bleek. Want je kan natuurlijk voor de emmer kiezen én doneren. Wat ik, als (té) kritische mens, dan wat raar vind. Waarom zou ik een emmer water over mijn hoofd laten gieten als ik geld wil storten voor een goed doel? Om aan iedereen te laten zien: “Kijk eens, ik geef geld aan een goed doel!”? Of omdat ik zo graag mee wil doen met de hype? Omdat ik bang ben dat iedereen zou zeggen: “Flauw, hoor, doneren en niet meedoen met de ijsemmer.”? Dat gaat in tegen hoe ik wil zijn. Ik wil niet iets doen louter en alleen omdat iedereen het doet.
Wil ik een emmer water over mijn hoofd krijgen? Eigenlijk niet. Al zeker niet als ik erover ga nadenken. “Verspilling”, komt in mij op, als ik de reeks filmpjes op FB aan de lopende band zie voorbij komen. U moet weten, ik hang mijn was op in plaats van die in de droogkast te steken om geen energie te verspillen. Ik was en strijk pas na 21 uur. Idem voor het aanschakelen van de afwasmachine. Ik verplaats me zoveel mogelijk met de fiets. Ik wil eigenlijk zo snel mogelijk een elektrische, milieuvriendelijke auto in plaats van een klassieke auto. Ik zeur als de kinderen de koelkast te lang laten openstaan of water laten lopen. Waarom zou ik dan een emmer water over mijn hoofd leeg kappen? Foetsie, weg. “Och, één emmer, wat kan dat nu kwaad?” zult u zeggen. Ja, dat is wel waar, maar toch. Het zijn intussen vele emmers geworden, zo te zien. Goed, het kunnen emmers regenwater zijn. Met de hoeveelheid die de afgelopen dagen gevallen is, kan ik allicht ook wel een emmer vullen. Maar toch. Het wringt. Zoveel mensen hebben geen toegang tot drinkbaar water, hele streken worden geteisterd door droogte. Met zijn allen dan maar water verspillen? Anderzijds vind ik dat ook verzuurd klinken. Plezier maken is leuk, waterspelletjes zijn leuk. Een soort hype als deze zorgt voor verbondenheid, amusement, vrolijk gelach. We delen iets samen. En daar ben ik dan weer geweldige voorstander van. Moet ik dan kritisch reageren en zeggen: “Nee, ik doe niet mee.”?
Nog een bedenking. Er gaat nu blijkbaar heel veel geld naar de ALS-liga. Heel goed natuurlijk. Maar wat met de andere goede doelen? Want, laat ons wel wezen, we geven niet onbeperkt. We hebben allemaal min of meer in ons hoofd hoeveel we op een jaar willen doneren.
Veel kritiek dus.
Anderzijds, wegen al die kritische argumenten op tegen de grote voordelen van deze hype? ALS krijgt nu veel meer aandacht, bekendheid en en een pak meer geld dan voordien. Maakt de manier waarop uit? Uiteindelijk lijkt het in deze tijd een kwestie te zijn van origineel uit de hoek te komen en het nodige geluk te hebben om mensen voor iets warm te kunnen maken. Ja, ijsemmers kosten geld, maar een grote advertentiecampagne kost ook geld. Veel geld zelfs. En de Ice Bucket Challenge is misschien wel een leukere manier om mensen te mobiliseren dan al die bedelbrieven of een saai radiospotje. Ja, er zullen mensen zijn die gewoon meedoen, nog altijd niets weten over ALS en niets doneren. Maar weegt dat op tegen de velen die door deze hype wel doneren? En de critici, die vinden dat ALS nu te veel krijgt, die bang zijn dat andere goede doelen te weinig zullen krijgen, hebben misschien wel ongelijk, want misschien worden die critici er nu toe aangezet om aan een ander goed doel te schenken. Ik hoop trouwens dat de kritiek die her en der verschijnt ons gewoon doet nadenken over ‘charity’, het goede doel en wat we daarvoor willen doen.
Conclusie: ik kijk naar de hype, geniet ervan (ik geniet nog altijd na, als ik aan het filmpje denk waarin de jongste zoon een emmer water over zijn vader mocht uitgieten, ik hoor zijn aanstekelijke lach nog klinken), ook van het gemeenschapsgevoel dat bij dat soort dingen ontstaat, voel mezelf niet zo aangesproken om een emmer water over mijn hoofd leeg te gieten, zeker niet in deze weersomstandigheden, maar ga wel iets doneren, aan een goed doel (manlief heeft na zijn ijsemmer al voor een donatie voor de ALS-liga gezorgd, als weegschaal zorg ik voor het evenwicht).

h1

Moeder zijn

22 augustus 2014

Net met een klein hartje afscheid genomen van dochterlief. Ze is op taalkamp vertrokken, alleen. Tegen haar zin, verplicht door ons, om haar de kans te geven volgend schooljaar toch de richting te volgen die ze zelf absoluut wil volgen. Ze zag er enorm tegen op. En ik eigenlijk ook. Ze veegde een traantje weg voor ze op de bus stapte. Ik duwde mijn tranen terug, slikte de krop in mijn keel weg en zwaaide aarzelend. Ze zwaaide met een nauwelijks zichtbaar handje terug, haar hoofd tegen de venster, naast haar een lege plaats. 

h1

Inbraak

21 augustus 2014

“Inbraak in auto premier Di Rupo” lees ik in de krant. Laptop en wat persoonlijke nota’s en spullen gestolen. Vreemd vind ik dat altijd, als zo’n bericht in het nieuws komt. We kennen toch allemaal die waarschuwing om geen waardevolle spullen in je auto achter te laten. Als premier van een land zou je daar dan toch zeker op bedacht moeten zijn. Manlief en ik zijn al op de vreemdste plaatsen met onze laptop binnen gekomen. Als we op vakantie eten inslaan, loop ik altijd met mijn fototas in de supermarkt rond. Waarom kan een premier zijn laptop niet meenemen als hij gaat fitnessen? Of zijn chauffeur uitdrukkelijk instrueren om de laptop mee te nemen als hij de auto verlaat? Vreemd.

h1

Denken, denken, denken

25 juli 2014

Ik heb veel nagedacht de laatste maand. Nog meer dan ik gewoonlijk al doe. Pijn gevoeld. Verdriet. Tranen laten lopen. En zo moeilijk kunnen duiden waarom.
Dat past niet bij mij. Ik ben een denker. Ik denk en analyseer tot ik iets of iemand kan plaatsen. Ook mezelf. En nu geraakte ik er niet uit. Waarom die leegte, die eenzaamheid, dat verloren gevoel? Waarom zo vaak die tranen? Terwijl ik in se niet ongelukkig ben. Ik ben blij met mijn man, mijn kinderen, het gezin dat we vormen, mijn werk en vrijwilligerswerk, de mensen om me heen. Ik heb geen geldzorgen, doe wat ik graag doe, heb de vrijheid om tijd te nemen om me te ontspannen. Ik geniet ook van mijn leven. En toch. Toch knaagt er iets. Ik heb er lang over nagedacht en ik denk dat het knagend gevoel te maken heeft met de mensen om ons heen.
Toen we hier kwamen wonen, kenden we hier niemand. Toevallig hier komen aanwaaien, omdat we hier een betaalbare bouwgrond vonden. In het begin trokken we elk weekend ‘naar huis’, naar mijn ouders en/of schoonouders. Ik kocht daar mijn schoenen, mijn kleren, mijn lingerie, bracht brood mee van de vertrouwde bakker. Ik werkte zelfs voor een deel in het dorp waar ik was opgegroeid. Stilaan veranderde dat. Ik vond een lingeriewinkel in de buurt, leerde de andere plaatselijke winkels kennen. De kinderen begonnen aan hun schoolcarrière. We werden lid van de ouderraad, leerden andere ouders kennen, van wie sommige vrienden werden. We leerden via hen weer andere mensen kennen. Onze kinderen gingen sporten, werden lid van de jeugdbeweging. We engageerden ons voor van alles en nog wat. Onze kennissen- en vriendenkring werd alsmaar groter. En nu kunnen we niet meer buitenkomen zonder mensen tegen te komen die we kennen, van ver of dichtbij. In de supermarkt, bij de bakker, in de bibliotheek, naast het sportveld, op straat. We worden uitgenodigd op feestjes en etentjes, zijn al op reis geweest met vrienden, doen regelmatig mee aan een quiz, de ene keer met die vrienden, de andere keer met andere vrienden, we hebben vrienden om mee te sporten, om mee naar de film te gaan, om samen te gaan eten of naar een pretpark te gaan. En toch. Toch knaagt er iets. Toch voel ik me in die grote mensenzee veel te vaak eenzaam en alleen.
Ik weet niet (meer) welke betekenis ik voor mensen heb. Niet dat mensen me niet waarderen. Dat doen ze wel. Denk ik toch. Ze zijn blij en dankbaar als ik iets voor hen doe, al dan niet professioneel. En ze willen me helpen als ik hulp nodig heb. Maar ik weet niet wat ik voor hen beteken. Gewoon als persoon. Om wie ik ben. Niet om wat ik doe. Ik heb niet (meer) of te weinig het gevoel dat mensen blij met me zijn, het fijn vinden dat ik er ben, dat ik erbij ben, dat ze me opzoeken, gewoon omdat ze dat fijn vinden, ‘to have a good time’.
Ik mis zielsverwanten. Mensen die begrijpen wat ik voel, die überhaupt zien dàt ik voel. De laatste weken heb ik de tranen vaak voelen prikken omdat mensen die niet eens zo dicht bij me staan, iets zeiden waaruit bleek dat ze zich konden voorstellen wat ik voelde, omdat ze warm en lief voor me waren, omdat ik een soort troost van hen voelde uitgaan. Maar dat zijn dan zo’n korte momenten, dat is zo vluchtig, omdat de band met die mensen ook niet zo innig is dat er verder iets mee gebeurt. Bovendien weet ik niet of ik dat wel wil of kan, en vooral of zij dat wel willen.
Mensen denken dat ik hard en taai en sterk en kritisch ben. Ik ben dat ook. Maar er is ook een andere kant. Een kant die weinigen (willen? kunnen?) zien, denk ik. We stoppen elkaar zo graag in een hokje. Ik doe dat ook. En ik weet dat ik in een hokje word gestopt waar ik eigenlijk niet in wil zitten. Omdat het niet helemaal klopt, omdat mensen denken dat alleen dat er maar is. Mensen zien mijn kant niet die geraakt wordt door ongeveer alles. Er gaat geen dag voorbij of ik voel pijn. Ik voel pijn om onrechtvaardigheid – en zo is er nogal wat in de wereld -, om het verdriet van anderen – en ik hoor en zie er nogal wat op een dag -, om oude en nieuwe kwetsuren – en die loop ik zo gemakkelijk op. Ik heb geleerd om daar mee om te gaan, dat wel. En ik wil niet anders zijn. Het is goed zoals het is. Misschien wil ik gewoon dat anderen zien dat dat stukje er ook is. Misschien wil ik dat ze het hele plaatje zien. En dat volledige plaatje de moeite waard vinden.
Soms denk ik dat ik gewoon te veel verwacht. Iemand die voelt, denkt, handelt zoals ik. Die zonder woorden begrijpt wat ik bedoel. Dat bestaat natuurlijk niet. Maar misschien is het dat wat pijn doet, weten dat je maar zelden ervaart dat iemand meteen aanvoelt hoe je denkt en voelt. En iets zegt waaruit dat blijkt. Als ik erover nadenk zijn het die momenten die me de laatste maanden aan het huilen (of bijna) brachten. Een woord, een zin waaruit bleek dat iemand aanvoelde wat ik voelde of dacht. Dat iemand mijn verdriet, mijn pijn, mijn kwetsuren zag.
Misschien is het dat wat knaagt. Dat ik niet langer alleen maar als sterk en hard en ad rem wil worden gezien, niet als degene die het altijd wel weet, altijd wel een antwoord klaar heeft, altijd volhoudt, zich van niets en niemand iets aantrekt, voor iedereen en alles zal zorgen, maar ook als warm en gevoelig en kwetsbaar, als iemand die zelf ook zorg en koestering en veel warmte nodig heeft.
Ik heb het gevoel dat wij geen gemakkelijk leven hebben. In zekere zin. Materieel komen we natuurlijk niets tekort. Integendeel. En het zit ons op vele vlakken mee. Meer dan veel andere mensen. Dat weet ik wel. Maar we moeten altijd wel ergens strijd voor voeren, voor de kinderen dan. Vooral het schoolsysteem is een harde noot om te kraken. Vermoeiend. En soms ook pijnlijk. Dat is een eenzame strijd, heb ik gemerkt. Want mensen hebben daar verschillende ideeën over, voeden hun kinderen verschillend op, hebben andere kinderen dan wij. Gelukkige zitten manlief en ik op dezelfde golflengte. Maar dat neemt niet weg dat de voortdurende strijd vermoeiend is. Ik ben blij dat het nu vakantie is. Ik heb ook nu pas gemerkt hoe vermoeiend die dagelijkse strijd is, hoeveel dat schoolsysteem van me vergt, hoe zwaar het op ons weegt om onze kinderen daar te doen inpassen en hen op een gezonde en positieve manier te laten groeien en zich te laten ontwikkelen. Ook dat raakt me. En heeft veel onrust gegeven. En heeft me ontzettend moe gemaakt en nog kwetsbaarder dan anders. Dat maakt dat ik veel troost en zorg en warmte nodig had, maar als mensen niet zien hoe dat aan je vreet en je zegt het hen niet, of ze begrijpen het toch niet helemaal als je het hen vertelt, krijg je die zorg en troost natuurlijk ook niet. Ook dat geeft eenzaamheid.
Eigenlijk komt het er op neer dat het een vermoeiend jaar is geweest, met niet altijd evenveel perspectief, waarin ik veel behoefte heb gehad aan een soort koesterende warmte, die ik weliswaar af en toe gevoeld heb en die me dan goed deed, maar die ik ook heel dikwijls gemist heb. Altijd sterk zijn. Ik kan het niet. Ik ben het niet. Wil het ook niet zijn. Ik wil ook niet altijd vechten. Ik wil soms dat iemand voor mij vecht, voor mij zorgt, het van ons overneemt. Misschien moet ik me optrekken aan de momenten waarop dat gebeurt en daar gewoon dankbaar en tevreden mee zijn.

h1

Onrust

30 juni 2014

Hier zit ik weer. Staren naar een wit blad, willen schrijven en de woorden niet vinden. In mijn hoofd komen ze wel, op papier niet. Praten lukt ook niet goed, met niemand. Ik praat wel, maar zeg niets wezenlijks. Ik praat, slaap, eet, lach, werk, functioneer. Ik doe mee. En intussen wringt er iets, lijk ik al maanden te worstelen met iets, maar ik weet niet goed met wat. De gedachten tuimelen door mijn hoofd, mijn gevoelens wisselen te snel en te vaak. De stabiliteit is zoek. Onrust, dat is wat ik voel.  Geen blije, opgewonden onrust, maar irritante, vermoeiende onrust. Ik geloof dat ik het stilaan beu word, dat ik stilaan moe word van mezelf. Tijd om orde in de chaos te scheppen en dit zwalpende schip weer op de juiste koers te krijgen. Niet voor het eerst trouwens. Ik herken dit fenomeen wel bij mezelf. Misschien moet ik weer wat meer gaan schrijven om zo de juiste weg te vinden?

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 33 andere volgers